Wanneer je wielen onder een object (zoals een kar, kast of machine) monteert, kies je meestal voor een opstelling met vier wielen voor optimale stabiliteit. Toch mag je het totale gewicht niet zomaar door vieren delen.
In de praktijk is de ondergrond namelijk zelden perfect vlak. Hierdoor komt het totale gewicht bij drempels, oneffenheden of tijdens het duwen tijdelijk op minder wielen te rusten. Om overbelasting en schade te voorkomen, rekenen we met een veilige vuistregel.
Hoe bepaal ik de draagkracht per wiel?
Wanneer je wielen onder een object (zoals een kar, kast of machine) monteert, kies je meestal voor een opstelling met vier wielen voor optimale stabiliteit. Toch mag je het totale gewicht niet zomaar door vieren delen.
In de praktijk is de ondergrond namelijk zelden perfect vlak. Hierdoor komt het totale gewicht bij drempels, oneffenheden of tijdens het duwen tijdelijk op minder wielen te rusten. Om overbelasting en schade te voorkomen, rekenen we met een veilige vuistregel.
De formule voor minimale draagkracht
Als een object bijvoorbeeld 100 kilo weegt, verdeel je dit gewicht voor de veiligheid over drie wielen in plaats van vier. Elk wiel moet dan minimaal 33,3 kilo kunnen dragen. In dit geval kies je dus voor wielen met een draagkracht van 33,3 kilo of meer. Dan zit je altijd goed!
Handige vuistregels per aantal wielen:
Afhankelijk van het aantal wielen dat je monteert, gebruik je de volgende rekensom om de minimale draagkracht per wiel te bepalen:
- Opstelling met 3 wielen: Het gewicht rust op 3 wielen
- Opstelling met 4 wielen: Het gewicht rust op 3 wielen
- Opstelling met 5 wielen: Het gewicht rust op 3 wielen
- Opstelling met 6 wielen: Het gewicht rust op 4 wielen.
Let op: Neem in het ’totale gewicht’ niet alleen het gewicht van het object zelf mee, maar ook de maximale lading die je er eventueel in of op gaat vervoeren!


















